Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht (I)

28-02-2020 | governance, juridisch, rechtspraak | 0 Reacties

Het wetsvoorstel Bestuur en Toezicht rechtspersonen is op 28 januari 2020 door de Tweede Kamer aangenomen. Naar verwachting zal het wetsvoorstel in de Eerste Kamer niet veel discussie meer opleveren en waarschijnlijk nog dit jaar worden ingevoerd.

Het wetsvoorstel heeft enerzijds ten doel de kwaliteit van het bestuur en toezicht bij de stichting en de vereniging te verbeteren en heeft anderzijds ten doel het rechtspersonenrecht van deze rechtspersonen meer te uniformeren met de BV en de NV.

Het wetsvoorstel bevat dan ook voor toezichthouders belangrijke wijzigingen.

Dit zijn de belangrijkste wetswijzigingen:

a. De stichting en de vereniging krijgen een wettelijke basis voor een Raad van Commissarissen (RvC);
b. De stichting krijgt een wettelijke tegenstrijdig belangregeling, bij de vereniging wordt deze gewijzigd;
c. Er komt een beperking voor het meervoudig stemrecht van een bestuurder;
d. Het aansprakelijkheidsregime van bestuurders en toezichthouders bij stichting en vereniging wijzigt
e. Ook voor de stichting en de vereniging ontstaat de mogelijkheid voor een one tier board;
f.  De statuten van een stichting of vereniging moeten een belet- en ontstentenisregeling gaan bevatten;
g. De ontslaggronden voor ontslag stichtingsbestuurder door rechtbank worden uitgebreid.

In dit artikel bespreek ik a tot en met c. In een volgend artikel d tot en met g.

De coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij zijn een specifieke vorm van de vereniging, waarop het wetsvoorstel eveneens ziet. Wanneer ik spreek over de vereniging wordt daarmee derhalve tevens de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij bedoeld.

Ad a.      Wettelijke basis RvC  

Anders dan bij de BV en de NV kende de wet tot op heden geen wettelijke basis voor een RvC bij de stichting en de vereniging. In de praktijk zijn er natuurlijk veel stichtingen en verenigingen die een Raad van Toezicht of RvC hebben. De bevoegdheden van een dergelijk orgaan zijn dan in de statuten geregeld.

Nu komt er een wettelijke basis. Dit heeft overigens ook tot gevolg dat de informatievoorziening van het bestuur aan de RvC, toch door velen gezien als de achilleshiel van het toezicht houden, een wettelijke basis krijgt. Evenals bij de BV en de NV wordt het bestuur van de stichting en de vereniging thans verplicht (i) de voor de uitoefening van de taak van de RvC noodzakelijke gegevens tijdig te verschaffen en (ii) de RvC ten minste een keer per jaar schriftelijk op de hoogte te stellen van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, van de algemene en financiële risico’s en van de gebruikte beheers- en controlesystemen.

Voor de toezichthouder is wel van belang te realiseren dat deze verplichting van het bestuur ook een wederkerig element heeft. De RvC die deze gegevens niet tijdig schriftelijk krijgt, zal er alsnog expliciet om moeten vragen!

Bij deze verandering past het nog te wijzen op een ander aandachtspunt. Vooral bij stichtingen komen in de praktijk ook andere ‘raden’ voor die wellicht niet zijn bedoeld als een RvC, zoals een ‘raad van advies’ of ‘een raad van wijze mannen en vrouwen’. Het maakt echter niet uit hoe een bepaalde raad wordt genoemd, als deze raad voldoet aan de wettelijke omschrijving van een RvC, is het een RvC. Waarop alle wettelijke verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden op van toepassing zullen zijn….

Ad b       Tegenstrijdig belang

Op dit moment kent de wet voor de stichting nog geen tegenstrijdig belang regeling. Statuten van stichtingen – en ook veel governance codes – kennen op dit moment wel een dergelijke regeling. Het wetsvoorstel voorziet thans in een wettelijke regeling.

De bestuurder met een tegenstrijdig belang bij een te nemen besluit, mag niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming daaromtrent. Indien als gevolg daarvan geen besluit kan worden genomen, moet het besluit worden genomen door de RvC. Indien er geen RvC is, moet het besluit worden genomen door de ALV (vereniging). Bij de stichting – die geen ALV kent – dient het bestuur de overwegingen die aan het besluit ten grondslag leggen schriftelijk vast te leggen.

In het kader van governance is dit laatste interessant. In mijn ogen zou de verplichting om de overwegingen schriftelijk inzichtelijk te maken niet alleen voor de stichting zonder RvC moeten gelden. Het zou de kwaliteit van besluitvorming waarbij sprake is van tegenstrijdig belang waarschijnlijk zeer ten goede komen indien een dergelijke verplichting zou gaan gelden voor ieder orgaan in iedere rechtspersoon waar een besluit waarbij sprake is van tegenstrijdig belang genomen moet worden.

Een gemiste kans is overigens dat voor een bestuurder of commissaris met tegenstrijdig belang geen verplichting is opgenomen een tegenstrijdig belang bij de overige bestuurders of commissarissen te melden. Indien de bestuurder met tegenstrijdig belang op de vergadering waarop over het tegenstrijdig belang besloten moet worden niet aanwezig is, bestaat het risico dat een besluit wordt genomen terwijl de rest van het bestuur of de RvC überhaupt niet met het tegenstrijdig belang bekend is. Dat is niet wenselijk.

Ad c       Beperking meervoudig stemrecht

Anders dan bij de BV en de NV is het bij de stichting nu nog mogelijk dat aan één specifieke bestuurder meer stemrecht wordt toegekend dan aan de overige bestuurders. Daarbij is het dus nu nog mogelijk dat één bestuurder de overige bestuurders “overruled”. In de praktijk bestaat daaraan overigens ook behoefte. Bijvoorbeeld bij familievennootschappen met een Stichting Administratie Kantoor (STAK). Daarbij is het niet ongebruikelijk dat de pater of mater familias een doorslaggevende stem heeft in het STAK bestuur. Er zijn nog veel statuten van een STAK die een dergelijke doorslaggevende stem mogelijk maken.

Na invoering van het wetsvoorstel mag dat niet meer. Het blijft mogelijk een meervoudige stem uit te brengen, maar die stem mag niet groter zijn dan het stemrecht van alle overige bestuurders gezamenlijk.

Uit oogpunt van governance juich ik deze wijziging toe. Een situatie waarbij een bestuurder de overige bestuurders kan overrulen is in strijd met het beginsel van collegiaal bestuur en daarom ook niet wenselijk. De voorgestelde wetswijziging acht ik dan ook juist.

Conclusie

Alhoewel ik de overige wijzigingen in een volgend artikel zal beschrijven, is op grond van het voorgaande reeds duidelijk dat het wetsvoorstel met name voor de stichting gevolgen heeft en zeker kan ingrijpen op bestaande structuren. Het is dan ook zonder meer verstandig in het kader van deze nieuwe wet statuten, reglementen en overeenkomsten die de interne structuur regelen te (laten) screenen.

Dimitry Aertssen heeft als specialismen insolventierecht en ondernemingsrecht. Hij treedt veelvuldig op als curator en bewindvoerder in faillissementen en surseances en adviseert (aandeelhouders van) ondernemingen en bestuurders bij herstructureringen en bestuurders aansprakelijkheid.

Dimitry Aertssen
Partner Thuis Partners

linkedin email telefoon 043-352 13 97

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Share This